gedicht

week me los

een tandenborstel stiekemt mijn badkamer binnen
veegt wel netjes de schoenen aan de mat
dat moet gezegd

mijn deur staat op een kier, een onbewaakt moment
een sokkenpaar grijpt die kans
en baant zich een weg naar de ladenkast

tot overmaat van ramp vond ik klokslag vrijdag
in mijn brievenbus een zoenende postkaart, help
hier kan ik niet omheen, er is iets aan de hand

al wekenlang word ik belegerd door witte lelies, rode rozen
tulpenbollen en boeketten, ik heb geen verweer meer
mijn harnas vertoont reeds de eerste barsten

vertedering doet me genadeloos de das om
heeft de liefde me nu veroverd, sluw en weldoordacht
of was ze altijd in me, trouw wachtend op een dag

de dag dat ik vragen kon: beleger me met lelies,
bekogel me met zoenen
week me los, elk moment van samen

week me los van dit harnas
tot het spat in scherven van geluk
dat ik land en aarden mag in jouw zachte armen

de spiegel

nu je er niet meer bent, mijn vriend
kan ik het je wel even zeggen
ik gaf idioot teveel weg van mezelf
liet me platwalsen door onmacht
vangen in een gouden kooi

je liep met brute kracht de muren op
je lachtte rotte tanden bloot
terwijl je kinderhart hoorbaar brak
in duizend stilgezwegen stukken
die niemand lijmen mocht

nu je er niet meer bent, mijn vriend
kan ik je het wel even zeggen
het zal je niet meer lukken
mij te grijpen met je dronken armen
die steeds smeekten om aandacht

mij te vangen met zatte oren
die trokken aan mijn woorden
die steeds stuttten moesten
elke dag opnieuw

jou behoeden voor de onvermijdelijke val
ik dacht dat ik je redden kon
al moest ik mee ten onder
ik ben toen uit die kooi gevlogen
vleugels broos maar niet gebroken

je gaf jezelf bloot
maar op het einde niets meer prijs
dan strijd, de hele wereld tegen

niet in het minst de spiegel

manisch depressief

manisch depressief is
voortdurend wikken en wegen

weg te volle fles
welkom dat ene glaasje
waarop geklinkt mag het leven
zo voelen wat vreugde is

weg te dolle pret
welkom die ene dans
waarop gevierd mag de liefde
zo voelen wat niet eenzaam is

weg te diepe ravijn
welkom kijken aan de rand
waar beseft de keuze
zo voelen wat kracht is

manisch depressief is
voortdurend wikken en wegen

onsje meer van dit
pondje minder dat
steeds bovenop blijft gelukkig
die gram gezond verstand

Kuiltje

in het kuiltje in het kussen
waar jouw hoofd te rusten lag
duw ik mijn neus en snuif heel diep
of ik je lijf nog ruiken mag

warme dekens waren nest
waar jij als beer
aan winterslapen deed

ik vlei me neer
vind vacht noch zacht
’t is keihard slapen zonder jou

vandaag moet alles nieuw en in de was
en rest me niets dan
strak gestreken kussenslopen
lentebloesem wasverzachter

weg is nest en ik blijf achter
van je houden
waar jouw hoofd te rusten lag

simultaan

dokter, ik heb een idee
ze kijkt me aan met haar geleerde bril
en luistert, het hoofd getild in aandacht
ik voel me zus, ik wil het zo

strategisch stippelen we een route
niet hoe het moet, maar hoe het kan
en waar naartoe
met een hoofd dat soms vliegen wil
dan weer voeten zwaar als lood

ze luistert en glimlacht met haar geleerde bril
omdat ze weet dat ik nu stilaan weet
wat inderdaad het beste is
we smeden simultaan een plan voor onderweg

onderweg, waar ik steeds meer ken van mezelf
erken wat heeft gespeeld
herken wat opspelen kan, helaas

dokter knikt zacht, ze reikt een boei met woorden
voor als ik spartelen zou

niet nu, niet vandaag
we steken de hoofden bij elkaar
en smeden simultaan de rust

voor Dr. Libbrecht

vaderdag 77

tijd slijt stram de oude knoken
komt mei weldra bloeien, kan de zon
soms zoek in jouw vergetelheid

vaderdag vandaag, in mij
nooit anders omdat ik mag
als lente bloeien, zon zijn
in het bange hart wat kloppen moet
tot doods verdomd, zo bloed

verwant vader, het is jouw dag
vandaag en soms altijd, nu dat beetje
meer eeuwig blijf ik kind
jouw dochterziel alleen

nu wij, tweespan op weg
weren angst met lach dan stilte
lossen wat komen moet, het zal vast zijn
vader, liefst niet in mei, stel dan
de zon die schijnen moet en jij, jij zoek?

Sneeuw

sneeuw is stil
dwarrelt zacht luistert
wat ik wil het kraakt
alleen, mijn harde zolen

sneeuw is stil
fluistert ja
wat ik wil zolen
zijn een paar, oneven

wbrb (won’t be right back)

twitters blurred a birdsong
once carried by the trees
blogs and vlogs and wtf’s
flickr’d is now the morning dew

facebooks and avatars, minds in the cookie jar
all gung-ho at the hide-and-seek
once tribes and true colours
gathered among us, shared stories,cuppa tea

with eyes faced down a tired clown
withdraws from bluescreen action
battle’s done, the war is won
he grabs this chance for awakening

mankind circles are a breaking
for nought but a fleeting pledge
a pledge of I’ll love you or hate you, I’ll stalk or I’ll break you
dangling on ego’s edge

bring on souls’ rising
birdsongs and dew, families and stew
hearts and hugs and coffee mugs
‘click here’ for the taking

but be there for the making
All can be truly done

2018.02.20, Antwerp – dedicated to Charissa and Nigel

little valentine’s prayer

someone to sweep me off my feet
someone to make me feel what the heart really needs
someone to breathe in, to breathe out
someone to sing out loud
someone to hold me when rain is pouring down
someone to hide with when winter’s all around
someone to see what cannot be told
someone to hold
just someone to hold

de collocatie

wie zorgt er voor de plantjes
wie praat tegen de muur
het is het uur van de collocatie
een leven mij te duur
ik zeg ach, weet je wel…
en slik stilletjes
een witte traan van steen