De zandkorrel en de oase

landschap

Er lag eens een zandkorrel in het midden van de weg. “Snik, snik”, huilde het korreltje. “Ik voel me niet goed”, snikte het. In de verte naderde een mensenkind. Het kind huppelde en maakte hink-stap -sprongetjes langs de weg. Ze zong zachtjes een lied zoevend langs het riet. Het was het Lied van de Boze Beesten en het ging zo:”Ikke-jij ikke-jij ikkeikke-jijjij, ikke ikke kwaakt de breedsmoelkikker. Jij jij treft schuld brult de dromedaris met de bult”.

kikker

Plots hoorde het kind een geklaag, het kwam van heel laag. “Kijk nou, wat is dat?”, sprak het kind verbaasd. “Ik ben een zandkorrel en ik voel me niet goed”, snikte de korrel. “Wat is er aan de hand?”, vroeg het kind. “Ik voel me zo alleen zonder korrels om me heen”.

zandkorrel

“Oh, dat is jammer”, zei het kind. “Hoe heet jij?”. “Hoe ik heet? Dat…dat weet ik niet…hebben zandkorrels een naam dan?” “Dat weet ik ook niet”, antwoordde het kind, “maar ik heb een naam, waarom jij dan niet? Mijn naam is Sarah”. “Oooh, wat een mooie naam! Ben jij ook triest soms?” “Soms niet, soms wel. Soms horen mensenoren niet. Dan luistert alleen het riet. Dan word ik zo kwaad dat ik wil brullen, stampen met mijn voetjes en schreeuwen “loop allemaal naar de maan!” en dan loop ik naar de woestijn.” “De woestijn? Waar is dat?” “Dat is een hele grote plek, heel ver weg van alle grote mensen. Daar kan ik alles wensen en daar huil ik naar de maan als niemand me ziet staan.”

“Als ik geen naam heb, zou ik misschien de jouwe mogen?”, aarzelde de korrel verlegen. “Ik wil je hem graag geven, maar dan zit ik zonder. Dat is lastig, maar weet je wat ik doe? Ik schrijf hem op jouw lijf, zodat je het nooit meer vergeet.” “Wat een goed plan, zeg! Jouw naam op mijn lijf. Doen!!” Het kind grifte met haar pluim en inkt de letters op de zandkorrel in prachtige krullen, goud als zonneschijn en zwart als de nacht, parelende ster: S A R A H.

penletters

De zandkorrel was zo blij, voelde zich helemaal in zijn nopjes en sprak: “Dank je zeer, lief mensenkind. Ik ben moe nu, maar zo blij. Ik ga snel slapen voor de nieuwe dag begint.” “Gelijk heb je”, sprak het kind, “dag Sarah. Ik stap voort naar zee. Tot ziens!” En het kind stapte naar de horizon, door de bergen naar de zee.

De zandkorrel werd ’s ochtends wakker uit een verre, diepe droom en keek half slapend om zich heen. “Waar ben ik”, dacht de korrel. Hij wreef zich in de ogen en keek om zich heen. Plots schrok hij want wel duizend korrels staarden hem aan. “Wie ben jij?”, vroeg er één. “Ik? Ik ben euh…Sah..eu Saha..eu”, stamelde de korrel en keek bang om zich heen. Nergens was het mensenkind te bespeuren. “Waar zou ze zijn? Ik voel me zo alleen”, dacht de korrel. “Hoe heet je…wat zei je nou? Je stottert zo stil, we kunnen je haast niet horen”, mopperde het zand. “Wees toch niet zo bang, hier mag je blazen van de toren!” “Mijn naam is Sarah”, riep de korrel dapper. “Sarah? Wat een mooie naam”, sprak het zand. “Wat zei hij? Wat is er? Wat gebeurt er daar vooraan?”, vroegen de andere zandkorrels achteraan. “Wij horen hier niets. Wat is er aan de hand?” “Maak je geen zorgen, het is een korrel zand die hier is beland. “Mijn naam is Sarah, denk ik”, herhaalde de korrel. “Ja, Sarah! Nu weet ik het weer.” “Het is Sarah”, riep de eerste rij luid voor zij die niets hoorden achteraan. En zo klonk de echo langs alle rijen zand van de woestijn.

“En wie zijn jullie?”, vroeg de korrel nieuwsgierig. “Wij, wij zijn de woestijn.” “Oh, is dit de woestijn? Het is hier warm en droog. Hebben jullie nooit dorst hier?” “Dorst? Heb je dorst? Er is water in de oase hier wat verderop. Daar kan je slurpen zonder glas, drinken van de plas.” En de korrel vertrok naar de oase. Aan de oase leunde hij voorover om te drinken van het water. En plots zag hij zichzelf weerkaatst in de rimpelloze plas. “Wat grappig!”, dacht de korrel. “Ik zie mezelf, de letters Sarah omgekeerd gegrift op mijn lijf en zelfs de lucht en de wolken daar bovenaan.” En bij het zien van de gouden krullen rond de zwarte inkt, kwam plots in zijn gedachten weer het menskind. “Kende zij niet de woestijn? Was ze hier niet ook geweest? Hier komt ze huilen naar de maan. Zo was het! Zouden dit haar tranen zijn? Deze mooie plas? Ik zal een slokje drinken en klinken op haar lach. Oh, dat kind. Ik hoop dat ze de weg naar zee ooit vindt”, dacht de korrel.

Hij vleide zich neer in het warme riet bij de plas en viel in een diepe slaap. De avond viel, de wind stak op en blies stof langs de duinen, zand door de lucht, rimpels op de plas, knopen in het mensenhaar en alles door elkaar. Dat is wat winden doen.
Zomaar.

sarah berg

Antwerpen, 26.01.2005