Drie potjes

Ze werd teruggefloten. Niet naar de verre berg. De berg zonder paden. Waar ze wandelt op de rug van de stenen reus en waar elke kiezel die rolt in zich een nieuw begin behoudt. De berg waar ze boven op de top, naast het nest van de adelaar, driehonderd zestig graden rond niets ziet. Niets dan andere reuzen zonder paden. Niets dan de schaduw van de wolken op de grond van de weidse steppe. Niets dan kiezels die ooit rolden en in zich een nieuw begin behouden.

Ze werd teruggefloten. Niet naar het verre meer. Het meer waar ze zachtjes wegzakt in de zanderige oever. En verder voetstappen maakt totdat het azuurblauw haar kin bereikt en ze zich overgeeft aan de draagkracht van het water. Waar het ademen volstaat om te liggen op de deining. Het hoofd naar de wolken die alles worden wat haar geest vermag.

Ze werd teruggefloten. Niet naar de rand van de ravijn. De ravijn waar gieren zich tegoed doen aan het karkas van een yak die het niet haalde. Waar ze diep in die kloof een kiezel vond. Een kiezel met haar naam. En toen dacht, ik besta.

Ze werd teruggefloten. Teruggefloten door drie potjes. Een potje lood voor voeten die niet mogen zweven. Een potje schapen opdat ze tellen zou voor ’t slapen gaan. En een potje kluts. Die was ze even kwijt.

Tibet

Reageer

Your email is never shared. Required fields are marked *