Schotelantennes

Ik zit wel eens in de trein naar Amsterdam. En stiekem doe ik soms luisteren naar waar andere reizigers het over hebben. Hebben ze het leuk, dan kan ik me wel eens moeien en een bordje Vlaamse humor voorschotelen. Een amuse gueuletje,zeg maar. Hoor ik vreemde trottertalen en zie ik rugzakken dan durf ik wel eens vrijblijvend een yurtje in de Mongoolse steppe aanbevelen, geen commissie vereist.

Ik zat laatst in de trein naar Amsterdam. Net voor Centraal mindert hij vaart en slentert langs de buitenwijken. Mijn oorschelpen vangen de dialoog van het koppel achter me. “Kijk, schotelantennes! Daar moet ik geen plaatje bij maken, he. Dat zijn dus allemaal Turken, he schat. Allemaal sociale woningen. Nou ja, gesubsidieerde woningen. Dat is dus ons geld, he schat. Dat komt hier maar wonen.”

Een schotelantennemeisje wuift naar de trein. Die neemt terug vaart en glijdt nu langs de mooie, oude pakhuizen nabij Centraal. Dakterrassen, terrassen op het water, bootje erbij, bamboemuren, bubbels en teak. “Dit zijn prachtige panden, he schat?”, zegt hij, “maar ja, we gaan dus niet in Amsterdam wonen.” “Neen”, aarzelt ze, want gaf ze wel het goede antwoord? “Neen”, zegt hij “dit is onbetaalbaar joh!”.

De trein bereikt het perron. Het koppel staat recht en begeeft zich naar de deur. Nu kan ik ze zien. Zijn cashmere mantel, zijn handgemaakte leren schoenen, zijn kapsel met een smeertje Wildersgel. De vrouw schuifelt nederig achter hem aan. Haar Jackie mantelpakje heeft slechts een plooi. Daar waar ze de angstige billen moest knijpen misschien.

Ik wilde nog zeggen “Mijn vader heeft een schotelantenne in de tuin. Hij is geen Turk.” Ik vrees echter dat dat zijn stap naar het stemhokje op vijftien maart alleen maar kordater zal maken. Ik heb toen maar gezwegen. Niets echter ontneemt me deze inkt.

Dag God

Dag God,

Ik schreef je nooit eerder, maar ik heb nu toch wel iets op het hart.

Jij creëerde het licht en de duisternis, dag en nacht. En dat is fantastisch, begrijp me niet verkeerd. De zonsopgang verwelkomt zacht en teder telkens weer een nieuwe dag. Het eerste bakje troost in de tuin op een bankje naast een vriend. De dauwdruppels nog op het gras. En ’s avonds de betoverende zonsondergang. De sterren die één voor één fonkelen aan het firmament. De rust die dan neerdaalt rond het kampvuur bij maanlicht met vrienden onderweg. Dat heb je goed gedaan, God. Echt wel.

En dan – was het dag vier of vijf, ik ben even de tel kwijt – kwamen de waterschepselen en vliegende wezens. Geniaal! Het lied van de blauwe vinvis weerklinkt wel duizenden kilometers ver. Vogels flapperen de halve wereldbol rond simpelweg voor het leggen van hun ei. Wonderbaarlijk, God. Hoe kom je erop?

En zo ging je maar door: zeeën, eilanden, schepje hier, schepje daar. Zelfs een mens. Naar jouw evenbeeld, god betert.

Plots, op dag zeven, nam je rust. Niet omdat je moe was, neen. Niet even lekker op je luie krent zitten, krantje lezen. Even uitblazen en dan weer aan de slag. Neen, je zei dat alles goed was. Ja, dat zei je, dat alles goed was. Alles was perfect. Je was volmaakt gelukkig. De mens moest voortaan maar heersen over alle andere schepselen.

Nou, God. Ik wil jouw schepping niet verloochenen, maar met dat heersen loopt het momenteel niet zo lekker. Grote leiders kribbelen loze beloftes, schudden valse handen en zakken vervolgens uitbuikend onderuit op hun gouden troon, voldaan als was het dag zeven. Ondertussen marcheren kindergeweertjes als pannenlatten naar de groote oorlogen. Scheppen bommen kraters waar ooit een bankje stond, troost ver zoek. Is het licht een molotov in een moskee bij nacht, het duister een schuilkelder waar een kind op moeder wacht.

Daarom God, ik schreef je nooit eerder, maar vandaag heb ik een vraag. Kan je er voor één keer een 8-daagse werkweek van maken?
En zeg dan: alles is goed.

Alvast bedankt.

Groetjes,
Sarah

Hamam

Soms heb ik last van betonhaat. De muren, de gevels, de straten, de hele betondiarree van de stad is dan mijn vijand.Ik wil dan alleen maar groen, gras, bomen en bergen ook al zijn die laatste van steen. Ik spring dan op mijn fiets naar de hamam. Stoom de woede uit elke porie, smeer een pot klei over mijn lijf en ga liggen. Liggen, o ironie, op een grote steen. En kom tot rust. Vijand en ik sluiten vrede. Ik fiets naar huis, de haren buigen als twijgjes. De stad omsingelt mij, maar in mijn hoofd huist een spriet.

Witboek

witboek

Witboek is een boek met lege bladzijden dat geschonken werd door de openbare bibliotheek Permeke. Dit exemplaar werd geschonken in 2014.

Dag boek. Dag Witboek. Dag witboekgraffiti. Jij leek gedoemd om maagdelijk te blijven, maar je hebt dapper jouw weg gebaand van de donkerste plank in het kleine kastje. Antiek en knarsend in de scharnieren. Een weg gebaand tot onder de tip van de pen. De pen in mijn hand. Je geeft je over aan de genade van de inkt die gaat als eb en vloed. De woorden die komen en gaan. Gedachten als wolken of heel concreet en zwart een volzin vormen op het witte blad van dit Witboek. Inkt als water. Zinnen glijden over klinkerkiezels en schipbreukelen op het strand van een column. Soms echter, hapert een alinea, droogt de inkt in staking om te wachten en te hopen op een nieuw woord uit de wolk van inspiratie die mijn brein doorkruist. Witboekgraffiti. Ik val in herhaling, sta weer op, laat de vingers dansen over het klavier en kijk hier, weer een zin. Ik smeed akkoorden met de toetsen op het bord. Terug naar de letters van het alfabet. Een nieuw begin.

Zo. Klaar. Gedachten die stromen, soms snel dan weer traag. Soms als druppels in een emmer onder een lekkend dak. De zinnen zijn koppig en laten zich niet vangen in een paragraaf. Alleen wat zich laat schrappen, keert terug naar het wit. Vol hoop op een tweede kans, de pen die letters wil baren. De weeen van woorden. Het persen van volzinnen. Een monoloog met mezelf. De zinnen zijn koppig. Tot het doek valt en de inkt ebt.

Zo. Klaar.

de collocatie

wie zorgt er voor de plantjes
wie praat tegen de muur
het is het uur van de collocatie
een leven mij te duur
ik zeg ach, weet je wel…
en slik stilletjes
een witte traan van steen

jongens jongens toch

Steek ik de straat over en zie een stuk of wat jongeren netjes in rij oversteken. Ik lach en knipoog en zeg ‘Recht naar school toe, hé jongens?’ Ik krijg een vloeksalvo als een dolk in mijn rug, een bak stront over mijn hoofd en als ik had nagetrapt nog een pak rammel van hier tot in Tokio. Dat heb je met Belgen in 2060 die kennelijk op weg zijn de werkloosheid. Een vlucht naar Syrië lijkt me dan een beter plan. Opvoeding stopt niet op achttien jaar, hoop ik dan. Maar ja, de zon scheen op mijn bol en er was leven op het Stuyvenberplein. Ik laat het niet aan mijn hart komen, maar het brengt wel wat eelt op mijn ziel. School rijmt op schol, bedenk ik net. En zij waren kokend bloednuchter.

een traan niet gelaten

steen

een traan niet gelaten is gal ingeslikt
een bittere pil, maar wel goed gemikt
het kind vergeet niet van al dat verdriet
dat stapelt zich op als een blok puur graniet
zo hard zal je gaan, zo hard moet je leven
wordt verdriet jouw venijn, dan zal je gaan beven

de rug recht en veeg nu je neus
doe alsof het niets was, je hebt geen andere keus
maar die traan niet gelaten, dat worden kristallen
klem vast in je lijf, da’s de ballen!
je hebt het geleerd met scha en met schande
krak! zegt het dan, daar gingen weer tanden

want huilen dat mag niet, geen traan zal je laten
huilen is zwak, zo marcheren soldaten

je slaat aan de drank of op ‘die van a’
je moddert wat aan, totdat je voelt aah!
de ah! van eureka, dat werd wel eens tijd
de bijl mag de grond in, er was teveel strijd
dan liep het heel goed, plots deed je verkeerd
die regels, die wetten
links, rechts, omgekeerd

waar moet je nog gaan? naar andere planeten?
of loop naar de Maan, of God weet ik waar
vergeten bestaat niet, je doet maar alsof
het staat op je tijdsbalk, ‘sayanora’ ’t was tof
‘adieu’ zeg je dan, je verzint een nieuw leven

een gloednieuwe smoel, als is ’t maar voor even
de kop doet de deur dicht, je hart wordt een poel
een poel van ideeën en pronke kastelen
waar elfjes zo lachen dat draken vergelen

want huilen dat mag niet, geen traan zal je laten
huilen is zwak, zo marcheren soldaten

één juli 2014, Stuyvenberg X2

Mama Mia

Mama Mia. Vandaag zou je jarig zijn. We zouden je verrassen met een aperitiefje in de bar van ’t Schoon Verdiep. Een rode porto. Omdat je houdt van stijl en schoonheid. En rode porto. Je zou gouden juwelen dragen, lippenstift, parfum en een mooie jurk. We zouden kuieren naar restaurant Mistral. Omdat je houdt van lekker eten, lavendelvelden, la douce France en Brel. We zouden verhalen delen en lachen. Veel lachen. En op het einde van de avond wandelen we je huiswaarts. Huiswaarts naar ons hart. Waar jij nu woont.

mama1_pomp

Drie potjes

Ze werd teruggefloten. Niet naar de verre berg. De berg zonder paden. Waar ze wandelt op de rug van de stenen reus en waar elke kiezel die rolt in zich een nieuw begin behoudt. De berg waar ze boven op de top, naast het nest van de adelaar, driehonderd zestig graden rond niets ziet. Niets dan andere reuzen zonder paden. Niets dan de schaduw van de wolken op de grond van de weidse steppe. Niets dan kiezels die ooit rolden en in zich een nieuw begin behouden.

Ze werd teruggefloten. Niet naar het verre meer. Het meer waar ze zachtjes wegzakt in de zanderige oever. En verder voetstappen maakt totdat het azuurblauw haar kin bereikt en ze zich overgeeft aan de draagkracht van het water. Waar het ademen volstaat om te liggen op de deining. Het hoofd naar de wolken die alles worden wat haar geest vermag.

Ze werd teruggefloten. Niet naar de rand van de ravijn. De ravijn waar gieren zich tegoed doen aan het karkas van een yak die het niet haalde. Waar ze diep in die kloof een kiezel vond. Een kiezel met haar naam. En toen dacht, ik besta.

Ze werd teruggefloten. Teruggefloten door drie potjes. Een potje lood voor voeten die niet mogen zweven. Een potje schapen opdat ze tellen zou voor ’t slapen gaan. En een potje kluts. Die was ze even kwijt.

Tibet

de fakkel



fakkel


mijn levensloop is als een estafette
de fakkel naar steeds een nieuwe ik
en zo herboren, telkens weer
tot de eindmeet van een rit

klaar voor een volgend rondje
begint een nieuwe kiem
oprecht en vol vertrouwen
ik sluit mijn ogen, ik kan het zien

ik kan het zien in wetten neergeschreven
het is een oud verhaal
iets kosmisch en oneindig
waarvoor, helaas, geen taal

geen taal dan wat je voelen kan
in de ogen van een vriend
die oprecht en vol vertrouwen
steeds weer de Liefde vindt

Sarah. Antwerpen, 21.05.2014.

Pagina 1 van 3123