Dat het maar

Dat het maar snel sneeuwen gaat. Krakende stappen, schuiven met de slee, ballen gooien, handen dooien bij het vuur. Dat het maar snel bloeien gaat. Kleuren in het park, briesje in fietsharen. Eerste ommetje rond een meer. Dat het maar snel zomeren gaat. Warme zonnestralen, ijsje op de stranddijk halen, voeten koelen in het water. Dat het maar snel herfst wordt nu. En alles dor en dood. Net als jij. Zodat ik huilen kan in regen. Dat het maar zo was. Vroeger, zodat het niet meer nu.

week me los

een tandenborstel stiekemt mijn badkamer binnen
veegt wel netjes de schoenen aan de mat
dat moet gezegd

mijn deur staat op een kier, een onbewaakt moment
een sokkenpaar grijpt die kans
en baant zich een weg naar de ladenkast

tot overmaat van ramp vond ik klokslag vrijdag
in mijn brievenbus een zoenende postkaart, help
hier kan ik niet omheen, er is iets aan de hand

al wekenlang word ik belegerd door witte lelies, rode rozen
tulpenbollen en boeketten, ik heb geen verweer meer
mijn harnas vertoont reeds de eerste barsten

vertedering doet me genadeloos de das om
heeft de liefde me nu veroverd, sluw en weldoordacht
of was ze altijd in me, trouw wachtend op een dag

de dag dat ik vragen kon: beleger me met lelies,
bekogel me met zoenen
week me los, elk moment van samen

week me los van dit harnas
tot het spat in scherven van geluk
dat ik land en aarden mag in jouw zachte armen

de spiegel

nu je er niet meer bent, mijn vriend
kan ik het je wel even zeggen
ik gaf idioot teveel weg van mezelf
liet me platwalsen door onmacht
vangen in een gouden kooi

je liep met brute kracht de muren op
je lachtte rotte tanden bloot
terwijl je kinderhart hoorbaar brak
in duizend stilgezwegen stukken
die niemand lijmen mocht

nu je er niet meer bent, mijn vriend
kan ik je het wel even zeggen
het zal je niet meer lukken
mij te grijpen met je dronken armen
die steeds smeekten om aandacht

mij te vangen met zatte oren
die trokken aan mijn woorden
die steeds stuttten moesten
elke dag opnieuw

jou behoeden voor de onvermijdelijke val
ik dacht dat ik je redden kon
al moest ik mee ten onder
ik ben toen uit die kooi gevlogen
vleugels broos maar niet gebroken

je gaf jezelf bloot
maar op het einde niets meer prijs
dan strijd, de hele wereld tegen

niet in het minst de spiegel

manisch depressief

manisch depressief is
voortdurend wikken en wegen

weg te volle fles
welkom dat ene glaasje
waarop geklinkt mag het leven
zo voelen wat vreugde is

weg te dolle pret
welkom die ene dans
waarop gevierd mag de liefde
zo voelen wat niet eenzaam is

weg te diepe ravijn
welkom kijken aan de rand
waar beseft de keuze
zo voelen wat kracht is

manisch depressief is
voortdurend wikken en wegen

onsje meer van dit
pondje minder dat
steeds bovenop blijft gelukkig
die gram gezond verstand

Artikel 9

Er ligt post van De Post in mijn brievenbus. “Hallo, ik kwam langs op 30.11.18 en zal uw aangetekende zending klaarleggen…”. Verder lees ik niet, ik schrik me rot. Haalt een donker verleden van schulden en aanmaningen me in? Erger nog, heeft de oude huisbaas zijn laatste adem uitgeblazen en wordt het huis verkocht en moet ik uit mijn stekje? Of heeft het niets met mij te maken, maar alles met het spoor van financiële vernieling dat mijn ex nalaat naar het diepste van zijn ravijn? Ik leg het briefje op mijn bureau, laat het rusten. Doemscenario’s ebben zachtjes weg. Wat komen moet, kome.

Terwijl ik dit schrijf, op twaalf december, ligt er naast me weer zo’n briefje. “Hallo, ik kwam langs op 10.12.18 en zal uw aangetekende zending klaarleggen”. Nu valt mijn oog op nog andere lettertjes – zelfs in het vet! – waar mijn bange ogen blind voor waren. “Uw aangetekende zending is een gerechtsbrief.” Ik glimlach omdat ik nu weet. Niks dode huisbaas, gelukkig maar. Niks aanmaningen, ik betaal altijd netjes mijn rekeningen een academisch kwartiertje te laat. Niks spoken van een ex overzee. Ik krijg waar ik om vroeg. De uitnodiging van een vrederechter.

Ik mag mijn zaak pleiten bij de edelachtbare. Laat me nog even beschermd worden door artikel 9. Geschreven voor een persona met een geestesziekte. Laat me, als ik het noorden kwijt zou raken; laat me, als ik manisch eigenwijs ten onder ga met valse vleugels, toch landen in de zachte berm van de zorg. Onder dwang. Geëscorteerd, als het moet, door de lange arm van de wet. Het lijkt een paradox, maar het voelt veilig.

Misschien is weten dat een isolatiecel mogelijks op die persona wacht, net het wapen om de demon van de manie te temmen. De teugels in eigen handen te houden. Te zeggen: “Braaf zijn, jij kwelgeest, of ik sluit je op”. Ondertussen blijf ik wel lief. Zo’n demon heeft er tenslotte ook niet om gevraagd gevangen te zijn tussen twee oren.

Kuiltje

in het kuiltje in het kussen
waar jouw hoofd te rusten lag
duw ik mijn neus en snuif heel diep
of ik je lijf nog ruiken mag

warme dekens waren nest
waar jij als beer
aan winterslapen deed

ik vlei me neer
vind vacht noch zacht
’t is keihard slapen zonder jou

vandaag moet alles nieuw en in de was
en rest me niets dan
strak gestreken kussenslopen
lentebloesem wasverzachter

weg is nest en ik blijf achter
van je houden
waar jouw hoofd te rusten lag

Hoe het is

Voorzichtig, bijna verontschuldigend, vroeg ze hoe het is om psychotisch te zijn. Ik stelde haar gerust dat zo’n vraag helemaal ok is en ik moest daar even diep over nadenken omdat net het ‘zijn’ op zo’n moment heel vaag is. Wie ben je nog wanneer je zelfbewustzijn, zoals je het doorgaans ervaart, compleet verandert? Je weet waar je bent, je weet wat je doet.

En toch heb je niet gemerkt dat er vijftien kilo’s van je lijf zijn verdwenen op evenveel dagen. Dat je nachten niet slaapt en dagen niet eet. Je voelt geen honger, geen dorst, geen fysieke pijn. Je hebt de fysieke kracht van een dier dat overleeft, maar je geest maakt zich langzaam los van een realiteit die je normaal gezien voor waar aanvaardt. Kleuren krijgen een betekenis. Niets is toeval. Er is een hoger plan. Het Ego brokkelt langzaam af en maakt plaats voor een wezen dat zweeft tussen hemel en Aarde.

Zonder schijnbaar doel, behalve dan een missie die alleen voor de dwalende geest op dat moment duidelijk is, begint de tocht naar het Licht. In werkelijkheid is het een vlucht naar niets. Taal wordt verkondiging en in de misnoegde profeet ontketent er zich in alle vezels langzaam maar zeker een woede tegen alles wat beschaafd is. Tegen alles wat autoriteit is. Tegen allen die die wilde geest willen temmen. En zo stap je bijvoorbeeld in het putje van de nacht uit een politiewagen en scandeer je blootvoets een mantra voor genezing in Sanskriet. Het heeft niets om het lijf. Dat komt later. De blauwe pyjama, de blauwe kamer. De keiharde kater.

Voorzichtig, bijna verontschuldigend, vroeg ze hoe het is om psychotisch te zijn. Zo’n vraag is helemaal ok.

Voor alle lieve mensen in mijn terugvalpreventieplan. Dat het moge blijven een heropname voorkomen.

vaderdag 77

tijd slijt stram de oude knoken
komt mei weldra bloeien, kan de zon
soms zoek in jouw vergetelheid

vaderdag vandaag, in mij
nooit anders omdat ik mag
als lente bloeien, zon zijn
in het bange hart wat kloppen moet
tot doods verdomd, zo bloed

verwant vader, het is jouw dag
vandaag en soms altijd, nu dat beetje
meer eeuwig blijf ik kind
jouw dochterziel alleen

nu wij, tweespan op weg
weren angst met lach dan stilte
lossen wat komen moet, het zal vast zijn
vader, liefst niet in mei, stel dan
de zon die schijnen moet en jij, jij zoek?

Sneeuw

sneeuw is stil
dwarrelt zacht luistert
wat ik wil het kraakt
alleen, mijn harde zolen

sneeuw is stil
fluistert ja
wat ik wil zolen
zijn een paar, oneven

Schotelantennes

Ik zit wel eens in de trein naar Amsterdam. En stiekem doe ik soms luisteren naar waar andere reizigers het over hebben. Hebben ze het leuk, dan kan ik me wel eens moeien en een bordje Vlaamse humor voorschotelen. Een amuse gueuletje,zeg maar. Hoor ik vreemde trottertalen en zie ik rugzakken dan durf ik wel eens vrijblijvend een yurtje in de Mongoolse steppe aanbevelen, geen commissie vereist.

Ik zat laatst in de trein naar Amsterdam. Net voor Centraal mindert hij vaart en slentert langs de buitenwijken. Mijn oorschelpen vangen de dialoog van het koppel achter me. “Kijk, schotelantennes! Daar moet ik geen plaatje bij maken, he. Dat zijn dus allemaal Turken, he schat. Allemaal sociale woningen. Nou ja, gesubsidieerde woningen. Dat is dus ons geld, he schat. Dat komt hier maar wonen.”

De trein neemt terug vaart en glijdt nu langs de mooie, oude pakhuizen nabij Centraal. Dakterrassen, terrassen op het water, bootje erbij, bamboemuren, bubbels en teak. “Dit zijn prachtige panden, he schat?”, zegt hij, “maar ja, we gaan dus niet in Amsterdam wonen.” “Neen”, aarzelt ze, want gaf ze wel het goede antwoord? “Neen”, zegt hij “dit is onbetaalbaar joh!”.

De trein bereikt het perron. Het koppel staat recht en begeeft zich naar de deur. Nu kan ik ze zien. Zijn cashmere mantel, zijn handgemaakte leren schoenen, zijn kapsel met een smeertje Wildersgel. De vrouw schuifelt nederig achter hem aan. Haar Jackie mantelpakje heeft slechts één plooi. Daar waar ze de angstige billen moest knijpen misschien.

Ik wilde nog zeggen “Mijn vader heeft een schotelantenne in de tuin. Hij is geen Turk.” Ik vrees echter dat dat zijn stap naar het stemhokje op vijftien maart alleen maar kordater zal maken. Ik heb toen maar gezwegen. Niets echter ontneemt me deze inkt.