Hoe het is

Voorzichtig, bijna verontschuldigend, vroeg ze hoe het is om psychotisch te zijn. Ik stelde haar gerust dat zo’n vraag helemaal ok is en ik moest daar even diep over nadenken omdat net het ‘zijn’ op zo’n moment heel vaag is. Wie ben je nog wanneer je zelfbewustzijn, zoals je het doorgaans ervaart, compleet verandert? Je weet waar je bent, je weet wat je doet.

En toch heb je niet gemerkt dat er vijftien kilo’s van je lijf zijn verdwenen op evenveel dagen. Dat je nachten niet slaapt en dagen niet eet. Je voelt geen honger, geen dorst, geen fysieke pijn. Je hebt de fysieke kracht van een dier dat overleeft, maar je geest maakt zich langzaam los van een realiteit die je normaal gezien voor waar aanvaardt. Kleuren krijgen een betekenis. Niets is toeval. Er is een hoger plan. Het Ego brokkelt langzaam af en maakt plaats voor een wezen dat zweeft tussen hemel en Aarde.

Zonder schijnbaar doel, behalve dan een missie die alleen voor de dwalende geest op dat moment duidelijk is, begint de tocht naar het Licht. In werkelijkheid is het een vlucht naar niets. Taal wordt verkondiging en in de misnoegde profeet ontketent er zich in alle vezels langzaam maar zeker een woede tegen alles wat beschaafd is. Tegen alles wat autoriteit is. Tegen allen die die wilde geest willen temmen. En zo stap je bijvoorbeeld in het putje van de nacht uit een politiewagen en scandeer je blootvoets een mantra voor genezing in Sanskriet. Het heeft niets om het lijf. Dat komt later. De blauwe pyjama, de blauwe kamer. De keiharde kater.

Voorzichtig, bijna verontschuldigend, vroeg ze hoe het is om psychotisch te zijn. Zo’n vraag is helemaal ok.

Voor alle lieve mensen in mijn terugvalpreventieplan. Dat het moge blijven een heropname voorkomen.

Drukdrukdruk

Drukdrukdruk. Het is druk. In mijn hoofd schreeuwt elke gedachte om aandacht. “Ik eerst!””Ik eerst! “Nee, ik.” “Ik ben belangrijker.” “Ik heb spoed.” “Ik heb haast.” “Ik moet.” Toeters van auto’s. Toeters van stress. Bellen van mobieltjes. Rinkeltoontjes. Stresshormoontjes. Drukdrukdruk.

Langzaam tikt het hart de tellen van mijn klok. Ik adem in, ik adem uit. Voel de voeten op de Aarde. Baadt het hoofd in zonneschijn. Welbevinden. Rust vloeit binnen. Als een stroom eeuwig eindeloos op weg naar oceaan.

Drukdrukdruk. Ik ben druk. Luid. Brulaap. En schreeuw stil “Stop!”. Niemand luistert. Ze zijn toeters van stress. Bellen van mobieltjes. Rinkeltoontjes. Stresshormoontjes. Drukdrukdruk. Iemand fluistert.

Ik spits de oren. Iemand fluistert. Zacht mijn naam, “Saartje”. Ik luister en lach. Rust vloeit binnen. Als een stroom eindeloos op weg naar water. Nu onmiddellijk wordt later.

Voor Thomas, broer. En voor andere Thomas, Alberico, auteur van ‘Geflipt’

vaderdag 77

tijd slijt stram de oude knoken
komt mei weldra bloeien, kan de zon
soms zoek in jouw vergetelheid

vaderdag vandaag, in mij
nooit anders omdat ik mag
als lente bloeien, zon zijn
in het bange hart wat kloppen moet
tot doods verdomd, zo bloed

verwant vader, het is jouw dag
vandaag en soms altijd, nu dat beetje
meer eeuwig blijf ik kind
jouw dochterziel alleen

nu wij, tweespan op weg
weren angst met lach dan stilte
lossen wat komen moet, het zal vast zijn
vader, liefst niet in mei, stel dan
de zon die schijnen moet en jij, jij zoek?

Sneeuw

sneeuw is stil
dwarrelt zacht luistert
wat ik wil het kraakt
alleen, mijn harde zolen

sneeuw is stil
fluistert ja
wat ik wil zolen
zijn een paar, oneven

wbrb (won’t be right back)

twitters blurred a birdsong
once carried by the trees
blogs and vlogs and wtf’s
flickr’d is now the morning dew

facebooks and avatars, minds in the cookie jar
all gung-ho at the hide-and-seek
once tribes and true colours
gathered among us, shared stories,cuppa tea

with eyes faced down a tired clown
withdraws from bluescreen action
battle’s done, the war is won
he grabs this chance for awakening

mankind circles are a breaking
for nought but a fleeting pledge
a pledge of I’ll love you or hate you, I’ll stalk or I’ll break you
dangling on ego’s edge

bring on souls’ rising
birdsongs and dew, families and stew
hearts and hugs and coffee mugs
‘click here’ for the taking

but be there for the making
All can be truly done

2018.02.20, Antwerp – dedicated to Charissa and Nigel

Schotelantennes

Ik zit wel eens in de trein naar Amsterdam. En stiekem doe ik soms luisteren naar waar andere reizigers het over hebben. Hebben ze het leuk, dan kan ik me wel eens moeien en een bordje Vlaamse humor voorschotelen. Een amuse gueuletje,zeg maar. Hoor ik vreemde trottertalen en zie ik rugzakken dan durf ik wel eens vrijblijvend een yurtje in de Mongoolse steppe aanbevelen, geen commissie vereist.

Ik zat laatst in de trein naar Amsterdam. Net voor Centraal mindert hij vaart en slentert langs de buitenwijken. Mijn oorschelpen vangen de dialoog van het koppel achter me. “Kijk, schotelantennes! Daar moet ik geen plaatje bij maken, he. Dat zijn dus allemaal Turken, he schat. Allemaal sociale woningen. Nou ja, gesubsidieerde woningen. Dat is dus ons geld, he schat. Dat komt hier maar wonen.”

De trein neemt terug vaart en glijdt nu langs de mooie, oude pakhuizen nabij Centraal. Dakterrassen, terrassen op het water, bootje erbij, bamboemuren, bubbels en teak. “Dit zijn prachtige panden, he schat?”, zegt hij, “maar ja, we gaan dus niet in Amsterdam wonen.” “Neen”, aarzelt ze, want gaf ze wel het goede antwoord? “Neen”, zegt hij “dit is onbetaalbaar joh!”.

De trein bereikt het perron. Het koppel staat recht en begeeft zich naar de deur. Nu kan ik ze zien. Zijn cashmere mantel, zijn handgemaakte leren schoenen, zijn kapsel met een smeertje Wildersgel. De vrouw schuifelt nederig achter hem aan. Haar Jackie mantelpakje heeft slechts één plooi. Daar waar ze de angstige billen moest knijpen misschien.

Ik wilde nog zeggen “Mijn vader heeft een schotelantenne in de tuin. Hij is geen Turk.” Ik vrees echter dat dat zijn stap naar het stemhokje op vijftien maart alleen maar kordater zal maken. Ik heb toen maar gezwegen. Niets echter ontneemt me deze inkt.

Dear God

I never wrote to you before, but there’s something I have to get off my chest.

You created the light and the dark, day and night. And that’s fantastic, don’t get me wrong. The sunrise is a tender and soft welcome to a newborn day, every day. The first cup of coffee in the garden, steaming solice on the bench with a friend on your side. Dewdrops, a fading memory on the grass. The final chord of the day, a mesmerizing sunset. The stars that shimmer one by one to brighten up the universe. Peace lands upon the moonlit campfire that warms friends who traveled a same path. Good job, God. Really.

And then – was it the fourth day or the fifth, I lost count – on came the water creatures and the flying species. Pure genius! The song of the blue whale travels for miles. Birds beat their wings across the globe just to lay one single egg. Miraculous, God. How did you come up with that?

And so you kept going: seas, islands, a bit of creating here, a bit of doodling there. Even man. To your image, for go(o)dness sake.

And suddenly, on the seventh day, you took a rest. Not because you were tired, no. Not even to park your lazy bum, read the paper. Take a breath, snap out of it and then chop chop back to work. No. You said that all was good. Yes, that’s what you said: all is good. Everything was perfect. You were perfectly happy. Man should rule over all other creatures from now on.

Well, God. I don’t mean to mock your creation, but that ruling isn’t going quite so smoothly lately. Great leaders are scribbling false promises, shake fake hands and plunge their full bellies onto golden thrones as if it were day seven. Meanwhile scanty armed children are marching to great wars. Bombs blast craters where a bench used to be, solice is lost. The light is a molotov in a mosque at night, the dark is a shelter where a motherless child hides.

Therefore, God, I never wrote to you before, but today I have one question. Can you, just this once, make it an 8-day workweek?
And then say: all is good.

Thank you in advance.

Greetings,
Sarah

Drie potjes

Ik werd teruggefloten. Niet naar de verre berg. De berg zonder paden. Waar ik wandel op de rug van de stenen reus en waar elke kiezel die rolt in zich een nieuw begin behoudt. De berg waar ik boven op de top, naast het nest van de adelaar, driehonderd zestig graden rond niets zie. Niets dan andere reuzen zonder paden. Niets dan de schaduw van de wolken op de grond van de weidse steppe. Niets dan kiezels die ooit rolden en in zich een nieuw begin behouden.

Ik werd teruggefloten. Niet naar het verre meer. Het meer waar ik zachtjes wegzak in de zanderige oever. En verder voetstappen maak totdat het azuurblauw mijn kin bereikt en ik me overgeef aan de draagkracht van het water. Waar het ademen volstaat om te liggen op de deining. Het hoofd naar de wolken die alles worden wat mijn geest vermag.

Ik werd teruggefloten. Niet naar de rand van de ravijn. De ravijn waar gieren zich tegoed doen aan het karkas van een yak die het niet haalde. Waar ik diep in die kloof een kiezel vond. Een kiezel met mijn naam. En toen dacht, ik besta.

Ik werd teruggefloten. Teruggefloten door drie potjes. Een potje lood voor voeten die niet mogen zweven. Een potje schapen opdat ik tellen zou voor ’t slapen gaan. En een potje kluts. Die was ik even kwijt.

Tibet

de fakkel



fakkel


mijn levensloop is als een estafette
de fakkel naar steeds een nieuwe ik
en zo herboren, telkens weer
tot de eindmeet van een rit

klaar voor een volgend rondje
begint een nieuwe kiem
oprecht en vol vertrouwen
ik sluit mijn ogen, ik kan het zien

ik kan het zien in wetten neergeschreven
het is een oud verhaal
iets kosmisch en oneindig
waarvoor, helaas, geen taal

geen taal dan wat je voelen kan
in de ogen van een vriend
die oprecht en vol vertrouwen
steeds weer de Liefde vindt

Sarah. Antwerpen, 21.05.2014.

Het monster

MonsterCalls

En plots staat daar het monster weer. Zijn spoor is zichtbaar in de straat. De huizen grijs geschilderd,  bloemperken vernield.  Het gomt de lach uit mijn gelaat. De zon komt niet meer tot mijn wang. De schaduw van het monster is te lang.

Het monster walst hier binnen als een ongenode gast. Vreet mijn kasten leeg, scheurt de noten uit mijn zang, ploft zich neer in mijn buik. Baant zich met scherpe klauwen een weg naar mijn zonnevlecht. Maakt stenen van mijn tranen. Dooft smalend het vuur waar ik mijn hart aan warm.

Het monster ratelt dag en nacht. Over hoe niets nuttig is en alles tijdverlies. Het pakt mijn honger en mijn dorst. Maakt proppen van mijn dromen. Kegelt ze één voor één tegen mijn hoofd. Het monster legt lood in mijn sloffen en lacht me uit als ik me door de kamer sleep.

Het monster ligt te slapen nu. Het snurkt de muren plat. Het is moe en voldaan van de plundertocht. Ik sluip stilletjes de kamer uit met een potje rode verf, twee bloembolletjes en een laddertje naar de zon. Benieuwd hoe ver ik kom.

tekening: Spike Dennis

Pagina 1 van 3123